Loading...
Home » Agenda » Kees van Leeuwen | Gebouw 26, kaderschool | 16.00 - 18.30 uur

za 30 november 2013

Kees van Leeuwen | Gebouw 26, kaderschool | 16.00 - 18.30 uur


Kees van Leeuwen (Haarlem 1986) verbleef in augustus en september 2013 in een caravan naast de Geheime Bunker. Deze bracht hij in kaart door middel van tekeningen, foto’s, kleimodellen en gipsafgietsels.
In Gebouw 26 toont van Leeuwen een deel van het werk. 
Hij introduceert hierbinnen o.a. het begrip folded space; “ Een folded space kan leeg zijn, bijvoorbeeld in de vorm van een doos of een rol of pijp. Maar een folded space kan ook een regendruppel zijn en dan is hij gevuld.” (Kees van Leeuwen uit een interview met Peter Nijenhuis) » Lees verder

De atoombunker als museale ruimte
Interview met Kees van Leeuwen door Peter Nijenhuis
 
Kees van Leeuwen (Haarlem 1986) woonde in augustus en september 2013 in een caravan naast de Geheime Bunker en gebruikte dat verblijf om de Geheime Bunker in kaart te brengen door middel van tekeningen, foto’s, kleimodellen en gipsafgietsels.
 
Je hebt Stichting G.A.N.G. benaderd met het verzoek om een tijd in de Geheime Bunker te mogen werken. Kun je vertellen waar dat uit voorvloeide?
Ik heb deze zomer aan de Koninklijke Academie in Den Haag mijn master’s in Artistic Research behaald. Daarvoor studeerde ik aan de Gerrit Rietveld Academie. Ik deed de afdeling Beeldende Kunst. Mijn belangstelling voor bunkers komt voort uit de onderwerpen waarmee ik me op de Gerrit Rietveld Academie en de Koninklijke Academie bezighield. Op de Rietveld was dat, naast beeldende kunst als hoofdvak, vooral architectuur. Als kind had ik daar al iets mee. Zonder daar verder bij na te denken, was ik als kind altijd bezig om in gedachte een voorstelling te maken van de indeling van een gebouw als geheel op grond van wat je van buiten van zo’ n gebouw kon zien, dus zeg maar op grond van de verhoudingen tussen bouwelementen als ramen, deuren, muren en trappen. Omdat ik dat van jongs af aan heb gedaan, ben ik nog altijd in staat om door een gebouw te lopen en binnen een aantal seconden van zo’ n gebouw een min of meer juiste plattegrond te schetsen. Ik dacht lange tijd dat iedereen dat had en kon. Maar op de Rietveld Academie bleek ik wat dat betreft toch een vreemde vogel te zijn. Wat me aan gebouwen boeit, is de wijze waarop een architect erin slaagt om de bewegingen en de ervaringen van de gebruikers te sturen door de ruimte op een bepaalde manier te scheiden en te verdelen.
 
Waarom koos je niet voor een opleiding tot architect?
Architectuur betekent in de praktijk een hoop regels en veel aandacht voor functionele aspecten. Dat is natuurlijk niet onbelangrijk, maar de functionele aspecten van een gebouw zeggen me weinig. Het gaat me bij architectuur in de eerste plaats om het gebouw als kunstvorm en als mogelijkheid om de atmosfeer en de ervaring van een ruimte een vorm te geven. Wat mij betreft is een gebouw een object en is er geen verschil tussen een huis of een theepot. Beide scheppen een binnen en een buiten. Je ziet een object en een gebouw ook altijd alleen maar van jouw kant. Wat je ziet roept verwachtingen en ideeën op over wat je niet ziet. Ik probeer me daar altijd een voorstelling van te maken om er in gedachte doorheen te kunnen dwalen.
 
Is het object als gebouw en het gebouw als object een onderwerp dat je tijdens je studie verder hebt kunnen uitdiepen?
Wat me al heel lang interesseert, is de tweezijdigheid van het object en het gebouw. Gebouwen en objecten zijn te beschouwen als op zich staande grootheden. Ze hebben, zoals dat heet, een autonome kant. Tegelijkertijd staan ze op allerlei manieren met elkaar in relatie en met de ruimte die ze omringt. Die zogenaamde ‘lege’ ruimte wordt op zijn beurt begrensd en gedefinieerd door objecten en oppervlakken. Om die complexe verhoudingen in mijn hoofd te kunnen ordenen, heb ik het begrip folded space bedacht. Of beter gezegd, ik heb het idee een keer terloops in een verslag gebruikt. De docent die het las, vond het een bruikbaar en interessant begrip, wat voor mij een reden was om het verder uit te werken.
 
Waar kun je het begrip folded space voor gebruiken?
Je zou het kunnen gebruiken om te begrijpen waarom objecten zowel autonoom zijn als verbonden met de ruimte en waarom een ruimte van bepaalde kanten bekeken aantrekkelijker is dan van andere kanten. Folded space maakt het ook mogelijk om te begrijpen waarom sommige objecten in één en dezelfde ruimte een nauwere relatie met elkaar lijken te hebben dan andere objecten in die ruimte.
 
Laten we het simpel houden en denken aan een lucifersdoosje gevuld met een pepermuntje. Wat is in dat geval de folded space?
Folded space heeft in dit voorbeeld verschillende gedaantes. Een folded space is de ruimte tussen de buitenkant van het lucifersdoosje en de binnenkant die de binnenruimte met het pepermuntje begrenst. Folded space is echter ook het oneindig dunne oppervlak rond het pepermuntje. Door die folded space heeft het pepermuntje een eigen lichaam en is dat autonome lichaam tegelijkertijd verbonden met de omringende ruimte.
 
Is folded space leeg?
Dat kan, bijvoorbeeld in de vorm van een doos of een rol of pijp. Maar een folded space kan ook een regendruppel zijn en dan is hij gevuld.
 
Hoe kan folded space inzichtelijk maken dat objecten in één en dezelfde ruimte ogenschijnlijk een nauwe en een minder nauwe relatie met andere objecten hebben?
Folded space verbindt objecten met de ruimte en met elkaar. Je kunt in je huiskamer een boek en een theekopje op een tafel zetten. Theekopje, boek en tafel hebben dan meer vlakken met elkaar gemeen dan met een lamp in de hoek van de kamer. Het boek, het theekopje en de tafel hebben en gemeenschappelijk vlak. Ze nemen op dat vlak alle drie een plaats in en het vlak vormt een gezamenlijk bezet eiland.
 
Ik denk dat ik nu wel een vaag idee heb van wat je met folded space bedoelt. Laten we er over ophouden voordat dat idee weer vervliegt. Waar hield je je tijdens je studie nog meer mee bezig?
De problematiek van de white cube, zoals die werd beschreven door Brian O’Doherty in het midden van de jaren zeventig. Het idee achter de witte galerie- en museumruimte is dat je een neutrale ruimte kunt scheppen die, wat zich in de ruimte bevindt, niet beïnvloed. Dat is volgens O’Doherty een illusie voorspruitend uit de wens om het kunstobject in een pure staat te bekijken. Die pure staat bestaat niet. Galeries en musea liggen meestal midden in steden. Geluid buiten en andere invloeden en verstoringen zijn niet te voorkomen. De galerie- en de museumruimte, met hun witte muren en licht van boven, doen niet wat ze beloven. Toch voldoen ze, door de suggestie van neutraliteit te wekken, aan de cultureel bepaalde wensen en verwachtingen van het publiek en aan de kunstideologie die daaraan ten grondslag ligt. De kloof tussen hoe een object of een ruimte werkt en de verwachtingen en wensen die mensen op zo’n object of ruimte projecteren, vind ik erg boeiend. Bovendien vind ik het aangenaam om in gedachten door allerlei museale ruimtes te dwalen die ik ooit heb bezocht of die ik van foto’s en plattegronden ken. Het zijn veelal hyperesthetische folded spaces; prikkelarm en geruststellend doordat ramen ontbreken en iedere ruimte gewoonlijk slechts twee overzichtelijke toegangen heeft.
 
Hoe komt iemand met belangstelling voor het verschijnsel van de witte, museale ruimte, uiteindelijk terecht bij bunkers?
Het gaat me in dit geval niet om bunkers in het algemeen, maar zeer specifiek om atoombunker. Atoombunkers zijn na de Tweede Wereldoorlog in twee soorten gebouwd. De militaire atoombunker, die in hoofdzaak diende ter bescherming van de militaire bevelhebbers, en de civiele, die diende voor de bescherming van overheidspersonen, vitale diensten zoals het telefoonverkeer, en installaties. Militaire atoombunkers zijn tot op de dag van vandaag voor gewone burgers zoals ik ontoegankelijk. Voor civiele bunkers ligt dat anders. Een paar jaar geleden was ik op een open monumentendag in Haarlem in het achttiende-eeuwse  Provinciehuis. Aan een tafel zat een aantal ambtenaren. Een daarvan boog zich naar me toe en vroeg of ik belangstelling had om een atoombunker te bezoeken. Zo ja, dan moest ik me later op de middag in de buurt van het gebouw bij een bepaalde deur vervoegen. Eerlijk gezegd had ik op dat moment geen enkel idee hoe een atoombunker eruit zag. Ik kende verdedigingsbunkers zoals de Duitse bunkers uit de Tweede Wereldoorlog, meer ook niet. Toen ik die middag in de atoombunker terecht kwam was dat nogal een verrassing. Na een reeks deuren, in steeds een andere hoek gebouwd om de atomaire schokgolf op te vangen, kwam ik in een ruimte die eruit zag als een ondergronds kantoor. Een gewoon kantoor zou je zeggen, maar toch ook weer niet helemaal. Er stond een bar die zo te zien uit de jaren zestig van de vorige eeuw moest stammen. Verderop waren er primitieve slaapvertrekken met stapelbedden. Op de bedden lagen vacuüm verpakte voedselpakketten die daar tien of twintig jaar geleden waren neergelegd. Mijn bezoek aan de Haarlemse atoombunker was het begin van mijn belangstelling voor atoombunkers. Ik heb nu een aantal civiele bunkers bezocht. Ik heb informatie verzameld over de bouw en uiteindelijk heb ik ook een boekje gemaakt. Wat me interesseert aan bunkers is de geheimzinnigheid en het feit dat je ze als bouwwerk alleen kunt zien van de binnenkant. Van de buitenkant kun je je alleen een voorstelling maken aan de hand van de bouwtekening. Nog belangrijker voor mij is het isolement van de atoombunker. De Haarlemse atoombunker heb ik na mijn eerste bezoek nogmaals in mijn eentje bezocht, net voordat hij gesloopt zou worden. Tijdens dat tweede bezoek ben ik zonder licht door de ruimtes gelopen. Anders dan je zou verwachten was dat niet eng; eerder geruststellend. Dat heb ik beschreven in een boekje dat ik onlangs heb gemaakt. Van buiten drong geen enkel geluid door. Het is zo stil dat je je eigen hart hoort slaan, het jagen van je bloed bij je oren en het kraken van je botten. Bovengrondse gebouwen werken gewoonlijk. Je hoort altijd wel iets van een vloer of iets anders, hoe gering ook. Een atoombunker werkt absoluut niet. Misschien houdt niet iedereen van het complete duister zoals ik. Maar als je in een atoombunker het licht aandoet is het een aangename omgeving. Alles waar de galerie en de museale ruimte tevergeefs op mikt, de omstandigheden voor ongestoorde ervaring van het kunstwerk in een white cube, is in de atoombunker voorhanden. Wat bovengronds een illusie blijft, is ondergronds simpelweg werkelijkheid. De atoombunker is met andere woorden de ideale kunstruimte.
 
Maar hoe krijg je kunstliefhebbers naar een ruimte onder de grond?
Inderdaad zijn er bezwaren en obstakels. Als je mensen vertelt dat de white cube ondergronds een werkelijkheid is, blijkt het idee van the white cube plotseling iets afschrikwekkends. Toch hebben de meeste mensen nog nooit een atoombunker gezien of bezocht. Dat zegt niet alleen iets over de menselijke psychologie, de weerzin tegen het afdalen en de afkeer van het ondergrondse verblijf. Het zegt ook iets over het idee van de white cube. De praktische en ambtelijke barrières moet je overigens ook niet onderschatten. En toch zoek ik naar mogelijkheden en wegen om atoombunkers te gaan gebruiken als white cube. Nu de dreiging van een atomaire oorlog niet meer acuut is, worden veel atoombunkers gesloopt. Monumentenzorg wil zich er nog wel voor inzetten, maar architecten en architectuurbladen zien er de waarde niet van in.
 
Wat heb je in de bunker van Stichting G.A.N.G. gedaan?
Ik heb voor het eerst een week of wat in een bunker kunnen verblijven en werken. Ik heb tekeningen, afgietsels en modellen gemaakt van de bunker als gebouw, het interieur en de omringende aarde wal die de bunker moest beschermen tegen de verwachte atomaire schokgolf. De bunker is niet uniek. Hij beschermde de pompinstallaties voor het olie- en kerosinetransport naar Duitsland. Pompinstallaties werden gewoonlijk beschermd met bovengrondse bunkers. Er waren, door de Amerikanen ontwikkelde standaardeisen voor dit soort bunkers. Bij het ontwerpen was rekening gehouden met zaken die tijdens en na een atoomaanval zouden kunnen gebeuren. Tegen een gewone, conventionele bom zou de bunker van Stichting G.A.N.G. niet bestand zijn. Die zou het gebouw moeiteloos omver blazen. Alleen al door zijn gewicht zou een conventionele bom door het dak vallen. Maar tegen de hitte van een atomaire lichtflits, de schokgolf en de radioactieve neerslag was de bunker in redelijke mate beschermd door onder meer de omringende aarde wal, een laag zand op het dak en de drukgaten, waardoor het gebouw niet in elkaar kon worden gedrukt. Zoals ik al zei, werd er gebouwd volgens bepaalde standaardvormen. Een vergelijkbare bunker beschermt bij Bonn bovengronds de luchtfilterinstallatie van een groot, ondergronds bunkercomplex. Hoewel er werd gebouwd volgens bepaalde standaardmodellen, in Nederland onder supervisie van de architect Korsmit, heeft de bunker van Stichting G.A.N.G. toch een eigen karakter. Er stonden bepaalde zaken in zoals pompinstallaties, waarvan de betonnen fundamenten nog steeds aanwezig zijn, en een aparte controleruimte. Ik heb van die fundamenten afgietsels gemaakt. De bunker draagt ook de sporen van de mensen die hem hebben gebouwd. Ooit heeft hier een timmerman in de jaren vijftig van de vorige eeuw een bekisting getimmerd voor het gieten van het beton. De planken van de bekisting staan er nog steeds in afgetekend. Voor gebouwen als de bunker kon dat. In de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog werd dat echter in de huizenbouw bewust vermeden. Afdrukken van planken in beton deden teveel aan de tijdens de Bezetting in opdracht van de Duitsers gebouwde bunkers denken. Tegenwoordig is de afdruk van een plank of een stuk hout in beton voor huizenbouw weer zeer geliefd. Het heeft iets natuurlijks, ook al kun je je afvragen wat dat dan is, en aan de Bezetting hebben nog maar weinig mensen echte herinneringen.
 
Wat ga je met de tekeningen, afgietsels en modellen doen?
Ik wil uiteindelijk visualiseren hoe deze en andere atoombunkers eruit zien en wat ze maakt tot wat ze zijn. Een bunker is in mijn ogen niet alleen een betonnen omhulsel. Een bunker heeft een bepaalde aard, een bepaalde atmosfeer door zijn interieur, of de resten daarvan, en door de sporen en oneffenheden die de bouwers er achterlieten, zoals de afdrukken van de planken waar ik het net over had. Bij de bunker van Stichting G.A.N.G. is volgens mij iets misgegaan tijdens het storten en uitharden van het beton. Dat is ongelijkmatig gegaan waardoor er in het dak van de bunker een scheur ontstond.  Dat soort zaken wil ik in beeld brengen. In 2014 krijg ik de beschikking over de ondergrondse atoombunker van het Geniemuseum in Vught. De atoombunker in Vught wil ik dan gebruiken om een idee te geven van de atoombunker als verschijnsel en natuurlijk om mijn ideeën over de atoombunker als white cube en als een ideale kunstplek een vorm te geven.
 
Het boekje van Kees van Leeuwen heeft als titel The atombunker and the white cube en is te bestellen bij de auteur.